Regularisatie van zwarte inkomsten aan gunsttarieven?
Vorige week is er ophef ontstaan in de pers over het feit dat de overheid zwart geld zou witwassen aan “bradeerprijzen” (zie o.m. het interview met Karel Anthonissen van de BBI in De Tijd van 30 september). Dat iemand zijn zwart geld kan witwassen in ruil voor een heffing van – in de praktijk blijkbaar vaak – 3 à 5%, wordt onbetamelijk genoemd. Koen Janssens, eindredacteur van de fiscale nieuwsbrief Fiscale Actualiteit, vindt dat die uitspraken enige nuancering en situering vragen.
De belastingplichtige betaalt gewoon voor wat hij krijgt. Betaalt hij weinig (zoals blijkbaar de praktijk is), dan krijgt hij ook weinig. Hij krijgt dus geen cadeaus. En er wordt zeker niets “witgewassen” waarvoor hij niet betaald heeft. Bovendien is de suggestie fout dat de Staat enorme inkomsten zou mislopen door geen hoger tarief toe te passen bij regularisaties. De kans is namelijk groot dat weinig mensen zouden regulariseren als er hogere tarieven toegepast worden. En dan zou de Staat helemaal géén inkomsten hebben. Wat door sommigen aangeklaagd wordt als het geven van cadeautjes aan fraudeurs, kan ook gezien worden als puur pragmatisme: binnenhalen wat er binnen te halen is.
Eigenlijk zou men zelfs kunnen zeggen dat de wet, zonder die (gezonde?) dosis pragmatisme, niet uitvoerbaar is. Volgens de letter van de wet betaalt men voor een regularisatie het tarief van de (indertijd) ontdoken belastingen plus (voor o.m. roerende inkomsten) een boete van 10 percentpunten. Stel: zwarte inkomsten van 100, behaald 10 jaar geleden. Belegd in Luxemburg aan een interest van 5% per jaar. Dan staat er nu 163 op die rekening. Voor een “complete” regularisatie zou men dan 60% (stel dat dat het tarief in de PB was 10 jaar geleden) moeten betalen op de aanvankelijke 100. En 15% plus 10% op het interestgedeelte (63). Samen 60 + 15,75 = 75,75. Op een totaal teruggehaald kapitaal van 163 is dat een heffing van 46,5%.
Hamvraag: hoe ver teruggaan in de tijd?
Wat er in de praktijk gebeurt, is iets heel anders. Fiscaal heeft men alleen een probleem voor de inkomsten van de laatste drie, vijf (tot voor kort) of zeven jaar. Dat zijn de aanslagtermijnen waarover de fiscus beschikt, en die kan dus niet verder teruggaan in de tijd om niet-aangegeven inkomsten alsnog te belasten. Puur fiscaal gezien heeft men dus geen enkele reden om de oorspronkelijke zwarte inkomsten (de eerste 100) te regulariseren, want die dateren al van 10 jaar geleden, en daar kan de fiscus dus niet meer aan. Die kan in ons voorbeeld alleen nog iets aan met de interestbetalingen van de laatste drie, vijf of zeven jaar. De wet zelf is daarover ook niet glashelder. Onder de vroegere fiscale amnestie (EBA) moesten er “kapitalen” geregulariseerd worden, en dan was het duidelijk(er) dat dat sloeg op al het gerepatrieerde geld. Nu spreekt de wet van “inkomsten”.
Maar toch is het van belang zijn om de volle pot te betalen en zo ook strafrechtelijke immuniteit te verkrijgen. Strafrechtelijk kan men immers verder teruggaan in de tijd dan de fiscale zeven jaar. Voor witwassen is er zelfs geen verjaring. Maar heel wat fiscale zondaars zien daarvan het nut niet om verschillende redenen.
Iedereen gaat ervan uit dat de “pakkans” relatief klein is. Dat is al van in het begin gezegd, en is dus geen nieuws. Het nut van een regularisatie is dus puur strafrechtelijk gezien niet zo groot. Banken zijn trouwens formeel maar verplicht om de documeten tien jaar te bewaren. Dat maakt het er voor speurders niet gemakkelijker op om een ‘oudere’ fraude op te sporen.
Stel: de belastingplichtige weegt alles af en opteert voor een regularisatie m.b.t. de laatste vijf jaar. In die vijf jaar heeft hij voor 35 aan interest ontvangen. Aan een regularisatietarief van 15+10% is dat 8,75 te betalen. Afgezet tegen het totale kapitaal dat naar België teruggehaald wordt (163), geeft dat een regularisatietarief van 5,4% (of zelfs maar 3,8% als de interest niet gekapitaliseerd is).
Voor wie gehoopt had op een opbrengst voor de Staat van bijna 50%, is die 5,4% inderdaad een hele teleurstelling. De vraag is alleen of er praktisch gesproken méér inzit. Van bij het begin hebben critici opgemerkt dat, met zulke tarieven, veel kandidaten zullen oordelen dat het voordeel van de regularisatie niet opweegt tegen de kostprijs (zie bv. Fisc. Act. 2005, 38/1, waar K. Spagnoli suggereert dat er een verlaagd tarief zou moeten zijn voor inkomsten die strafrechtelijk nog niet verjaard zijn maar fiscaal al wel).
Terwijl in de pers aangeklaagd wordt dat het feitelijke tarief van de regularisaties (een beetje) lager ligt dan bij de vroegere EBA (toen was het 6 of 9%), ligt het echte probleem dus eerder omgekeerd: voor een gelijkaardige bescherming als onder de EBA betaalt men onder de huidige regularisatie een tarief dat onredelijk veel hoger ligt.
De strafrechtelijke bescherming, die een regularisatie biedt, is trouwens niet waterdicht. Bepaalde misdrijven zoals ernstige en georganiseerde fiscale fraude kunnen niet ‘geregulariseerd’ worden. Maar heeft er iemand een sluitende definitie van dat begrip?
De kern van waarheid in het verwijt aan het adres van het Contactpunt Regularisaties is dat die dienst de keuze volledig aan de belastingplichtige laat. Die moet maar zelf kiezen of hij gaat voor drie, vijf of zeven jaar, of eventueel langer, om ook strafrechtelijk ingedekt te zijn. In de praktijk blijkt nochtans dat het contactpunt doorgaans wel degelijk wijst op de strafrechtelijke kant van de zaak als een kandidaat-regulariseerder zich aanbiedt. Maar critici verwijten het contactpunt dat het onvoldoende verduidelijkt dat de filosofie van de wet er eigenlijk in bestaat om alles aan te geven (in ons voorbeeld inbegrepen het oorspronkelijke zwarte inkomen, ook al dateert dat van tien jaar geleden). Overigens is ook dat geen nieuws. Het contactpunt heeft al van in het begin duidelijk gemaakt dat het de belastingplichtige is die beslist hoever hij teruggaat in de tijd. Maar het past daarmee gewoon de wet toe. Het contactpunt kan de belastingplichtige immers niet dwingen, het kan ook geen aangifte weigeren… Het gevolg is dan wel – blijkbaar en wellicht onvermijdelijk – dat vele belastingplichtigen kiezen voor een “minimale” regularisatie. Dat gaat in tegen de geest van de wet, maar is niet verboden.
Regularisatie à la carte?
Maar de belastingplichtige krijgt alleen waar hij zelf voor kiest. Als dat een beperkte regularisatie is, krijgt hij alleen dat en betaalt hij ook een heffing in verhouding: een beperkte. Enigszins cynisch merkt een waarnemer op dat een regularisatie een oefening in zelfbedrog is. De belastingplichtige maakt zichzelf wijs dat hij voortaan in regel is met zijn zwart geld, maar is dat niet, of toch niet volledig (omdat hij niet ver genoeg teruggaat in de tijd of niet alles aangeeft). Het attestje dat hij krijgt na zijn regularisatie, biedt natuurlijk geen bescherming voor het gedeelte waarop hij geen regularisatieheffing betaald heeft. Althans op papier.
En daar zit misschien het échte probleem. Insiders suggereren namelijk dat de kans heel klein is dat een controleur dieper gaat graven als een belastingplichtige met een regularisatie-attest gaat zwaaien. Hij zal zich niet snel afvragen of de belastingplichtige wel alles aangegeven heeft, laat staan dat hij het parket op de hoogte zou brengen als hij het bestaan vermoedt van fiscaal maar nog niet strafrechtelijk verjaarde zwarte inkomsten. De lokale controles hebben trouwens niet de bevoegdheid om regularisaties te onderzoeken. En ze gaan er natuurlijk ook van uit dat elke regulariseerder wel goed op de hoogte is van de fiscale verjaringstermijnen. In de praktijk zou het dus wel eens kunnen dat de belastingplichtige ervan af komt met een heffing van 5% en toch hetzelfde bereikt als met een heffing van bijna 50% (in ons voorbeeld).
Het ironische is dat de overheid er, ondanks die “bradeerprijzen”, niet in slaagt om massaal kandidaten te lokken voor een regularisatie. Opnieuw ligt dat voor een deel aan de vaagheid van de wet. Die sluit bijvoorbeeld ernstige en georganiseerde fraude uit van regularisatie. Maar dat begrip is niet duidelijk afgelijnd. Sommige van de grootste vermogens blijven daardoor aarzelen om de stap naar regularisatie te zetten. En er is het eeuwige pijnpunt van de fraudebestrijding. Zolang de fraudeur niet het gevoel heeft dat hij veel risico loopt, kan men zich trouwens afvragen of fiscale amnestie of regularisatie in welke vorm eigenlijk wel zin heeft. Zonder druk van een efficiënte fraudebestrijding zal het probleem blijven bestaan, zo verzucht men wel eens bij Financiën, en zal men misschien, naar Italiaans voorbeeld, verplicht zijn om elke vijf jaar een amnestievariant uit de hoed te toveren (noteer overigens: in Italië is het amnestietarief 5%).
Zoals we al enkele keren opgemerkt hebben, is al het bovenstaande niet nieuw. Toch is er nu één ding dat wel nieuw is. Met de nakende informatie-uitwisseling in het kader van de Europese Spaarrichtlijn en de opheffing van het bankgeheim in de dubbelbelastingverdragen (zie Fisc. Act. 2009, 21/1 voor een overzicht), hebben fraudeurs er eigenlijk alle belang bij om hun geld weg te halen uit het buitenland. In België is het immers veel veiliger. Want op binnenlands vlak geldt het bankgeheim nog wel. En met een stelsel van bevrijdende roerende voorheffing geldt sowieso het vermoeden dat op een roerend inkomen alle belastingen betaald zijn. Wat de klokkenluiders dus eigenlijk vooral bedoelen, is dat, nu er een historisch moment aangebroken is waarop bezitters van zwart geld eigenlijk geen andere keus meer hebben dan het terug te halen naar België, het jammer is dat de Schatkist daar niet méér van profiteert. Maar dat is misschien vooral een politieke kwestie…